Spijtoptanten

Een woning kopen of verkopen is altijd een bewuste keuze. Jongere mensen kopen hun eerste woning omdat huren in veel gevallen toch wel duur is. Tegenwoordig worden soms huurprijzen gevraagd waar je wel twéé hypotheken mee kan betalen… Jongeren zoeken in hun enthousiasme vaak gelijk naar de meest ideale woning, hun droomhuis, maar slagen daar dan veelal niet in. Ik als makelaar moet hen nogal eens afremmen, bijsturen, ze wijzen op de mogelijkheden en vooral de ónmogelijkheden van hun wensen. Jonge mensen zoeken iets eigens, zeker niet te ver van ‘de stad’ af want dáár speelt een groot deel van hun (sociale) leven zich af, dáár wonen veelal ook hun vrienden en dáár gebeurt het.

Een woning is de perfecte plek voor een paar om hun ideeën uit te kristalliseren. Hoe wordt de woonkamer ingericht, en de slaapkamer, wat komt er op vloeren en muren, welke kleuren, wat moet er allemaal in de keuken, wel of geen vaatwasser. Natte hoek boven of toch beneden, grote of kleine schuur, wel of geen tuin, vrijstaand of rijtjeshuis, boven- of benedenwoning. Tientallen, misschien wel honderden vragen en argumenten komen aan bod tijdens het op één lijn komen van twee partners. Ook niet onderschat mag worden de invloed die het ouderlijk huis heeft -letterlijk het huis: waarin ben je opgegroeid, groot huis, klein, nieuw, oud, welke buurt, noem maar op. 
Na in die eerste woning wat gesetteld en gewend te zijn, gaan jonge mensen het zal dan al gauw een jaar of vier, vijf verder zijn - op zoek naar weer een andere woning die dat het ideale beeld een stuk meer benadert.  

Ik werd uitgenodigd door een echtpaar van middelbare leeftijd dat in een leuk woonboerderijtje op het platteland woonde. Ze kwamen ontspannen, bijna bedaagd en vooral gelukkig op mij over. Ik zag hem in gedachten ‘s morgens de kippen voeren, groene laarzen en overall aan en kippenlokgeluidjes maken. Als de dames uit hun hok waren raapte hij de eieren en ging verder naar de dwerggeitjes. Zijn vrouw was ondertussen aan het brood bakken.  

‘Wij willen weg van hier, zo snel mogelijk, verhuizen, naar de stad’, viel mijn fantasie keihard in duigen toen de man sprak. ‘Het is hier te rustig, te saai, te weinig te doen. Het enige contact dat we hier hebben is met de boeren in de buurt en een keer per week de rijdende kaasboer. Hetzelfde met de groenteboer, die komt ook een keer per week aantoeteren, we zitten op het platteland, wie koopt hier nou groente van een groenteboer?  Oh ja, en we verkopen zelf eieren van de kippen (dát deel van mijn fantasie klopte dus!). Af en toe belt er eens een verdwaalde fietser aan die geen gepast geld heeft. Nee, voor ons is het buitenleven geen bijster succes gebleken. Er is hier geen sociaal leven, iedereen werkt alleen maar. Wij hebben geen kinderen meer in de lagere schoolleeftijd, dus die contacten hebben we ook niet en voor boodschappen gaan we toch al naar de stad. Dus het leven heeft ons hier weinig extra’s te bieden. Verkopen die handel, zeg ik’. 
 
Ik liep door het pand dat er gelikt uit zag. Mooie indeling, goede materialen, prima afwerking. Ik zag legio verkoopmogelijkheden. Na onderling overleg besloten de verkopers hun eigendom pas te koop te zetten als ze een nieuwe woning hadden gevonden en betrokken.
Het bleef enige maanden stil, totdat ze me opbelden. Ze waren verhuisd, zaten pal in het centrum van een middelgrote stad en vermaakten zich kostelijk. Ze huurden een gelijkvloers appartement op de verdieping met voor uitzicht op een drukke winkelstraat, achter waren hoge woningen en overal activiteit.
Ik deed het boerderijtje in de verkoop met een in mijn ogen te hoge vraagprijs, maar dat was de wens van de verkopers. Nou ja, de prijs kan altijd zakken. Er waren nogal wat kijkers maar geen kopers. Een aantal van hen wees op de best wel forse vraagprijs. 
Ik besloot na een week of acht, negen telefonisch contact op te nemen. ‘Ik wilde u net bellen’, sprak de man met ietwat hoge stem, ‘we moeten hoognodig praten!’ We maakten een afspraak voor de volgende middag, bij mij op kantoor. 
Daar kwam het hoge woord er meteen al uit: ‘We willen terug, we trekken de verkoop per heden in’. Over het algemeen kan ik mensen en situaties redelijk analyseren, maar hier kreeg hij mij toch even stil mee. Mijn vragende blik noopte hem tot uitleg. ‘In het begin was het prachtig in de stad. Alles op loopafstand, veel te beleven, veel actie, veel reuring, veel lawaai. Waar je ook keek, er was léven. Precies wat we verwacht hadden. Maar na een week of vier verlangden we toch een beetje naar rust. Want het verkeer ging steeds maar door. Herrie en kabaal werden op momenten wel minder maar verdwenen nooit. En dat ging ons irriteren, tegenstaan. We beseften dat we een grote fout hadden gemaakt. Hebben spijt van onze misschien wel te impulsieve beslissing.
Mogen wij alstublieft ons huis, onze rust, ons léven terug?’