Lustrum

Hij kwam een paar maanden geleden binnen met een doos warme saucijzenbroodjes. We schudden elkaar de hand en gingen zitten.
‘Ons lustrum!’ zei hij.
‘Want?’ vroeg ik. Ik kende hem wel, maar had geen idee welk jubileum wij samen te vieren hadden.
‘Dit is het vijfde jaar dat ik hier kom’, legde hij uit.

Het was een bijzonder geval. Nu dus al kennelijk voor het vijfde jaar achtereen kwam hij hij vragen of een bepaald pand in Steenwijkerwold te koop was. De eerste keer dat hij met het verzoek kwam, zijn we er samen naar toe gereden. Het boerderijtje en aanliggende terreinen dat hij op het oog had, vormden inderdaad een plaatje. Geheel vrijstaande oudbouw, maar zo op het oog keurig onderhouden, smal weggetje met links en rechts wilgenbomen ernaartoe, slootjes, hekjes, oude houten schuur en wat hokken, tuin rondom, gazon, een watertje en bosschages. Ik snap dat iemand daar verliefd op kan zijn. We liepen er een beetje rond en de man wees me op alles waar zijn oog op viel. ‘Kijk, zie je daar…’. Ik probeerde erachter te komen, waarom hij deze boerenbedoening zo graag wilde hebben, maar ik werd geen steek wijzer. Na een kwartier, twintig minuten rondgekeken te hebben vertrokken wij weer.

Daarna kwam hij elk jaar één keer bij me terug. Omdat de man in Brabant woonde, zei ik hem dat hij ook kon bellen of een bericht sturen. Maar nee, zei hij: ‘Het is echt geen straf voor mij om hier jaarlijks eenmaal te komen hoor. Ik kom niet alleen voor het boerderijtje maar ook voor deze omgeving. Wat een prachtig stukje Nederland is dit toch. Hier is zoveel te vinden wat ons land zo mooi maakt, behalve zee en bergen’. Ik wees hem met een grote glimlach op onze Woldberg en de Havelterberg… Het leek wel of het ook altijd mooi weer was als hij langs kwam. Hij belde altijd keurig op om een afspraak te maken.

Het was een aardige man en ik maakte altijd tijd voor hem. Hij had een wat bollend hoofd, een dun, gesoigneerd snorretje en als hij lachte, had hij bolle wangen. Hij leek in de verte wat op Monsieur Hercule Poirot uit de boeken van Agatha Christie, maar dan zonder bolhoed en dat pedante loopje. Hij was een aangename, beeldende verteller en voegde altijd een flinke dosis humor aan zijn vertelsels toe. Hij was handelsreiziger in landbouwgerei. Zijn werk bracht hem voornamelijk in België en Frankrijk. In beide landen had hij erg veel beleefd in het verloop van de jaren. Hij kwam vaak bij grote moderne boerenbedrijven en had daar, vast mede door zijn vlotte babbel en nette verschijning, altijd een goede verkoop. Maar het liefst kwam hij in van die kleine Belgische en Franse dorpjes, met in de omgeving van die kleine keuterboerderijtjes; als die dan nog werden bevolkt door een oud, ouder, oudst echtpaar, kon hij zijn geluk helemaal niet meer op. Hij moest er altijd blijven eten en een glas drinken, daar kon (en wilde) hij niet onderuit. Dat gebeurde hem bij die grote boeren vrijwel nooit. Hij vertelde me bij een vorige gelegenheid, dat hij vaak deze klanten-op-leeftijd matste. Dan deed hij meer van de prijs af, dan eigenlijk zakelijk gezien verantwoord was. ‘Maar dat drukte ik er bij die grote boeren wel weer bovenop, zonder dat ze het merkten. Die hadden toch meer dan voldoende geld’, gniffelde hij.

De eerste keer dat hij bij mij op kantoor kwam, was hij 55 jaar. Zijn werk was hij toen al wat aan het afbouwen want al dat reizen gaat een mens niet in de koude kleren zitten. En om op die leeftijd nou nog een carrièremove te maken leek hem ook niks. Hij was gescheiden, had zuinig geleefd -want nooit veel thuis geweest (dat had hem ook zijn huwelijk gekost, zei hij) - en ja, hij kon zich wel het een en ander veroorloven.
Ook tijdens zijn laatste bezoek moest ik hem teleurstellen. Het stond nog steeds niet te koop. ‘Dan zie ik u wellicht volgend jaar weer’, zei hij als positief afscheid.

Zo lang duurde het dit keer niet. Ik werd onlangs door een collega-makelaar ingeseind dat hij het bedoelde boerderijtje met alle aanhorigheden in de verkoop
zou krijgen. Binnen een minuut had ik mijn telefoontje naar Brabant gepleegd en nog dezelfde week stond hij weer bij mij op de stoep.
‘Het is gelukt, hé?’ zei hij opgewonden blij-blozend. Ik remde hem wat af want we waren nog niet eens binnen geweest. ‘Maar ik wel!’, antwoordde hij openhartig.
Nu wilde hij er wel over praten. In dit boerderijtje was hij geboren, als enig kind. Toen hij rond de zestien, zeventien was stierven zijn beide ouders in het huis, vlak na mekaar; hij woonde nog thuis en had tot dan een volmaakt gelukkige jeugd gehad. Natuurlijk had hij geen geld om het boerenbedrijf voort te zetten, dus binnen korte tijd verloor hij niet alleen zijn ouders maar óók zijn geboortegrond en zijn korte historie. ‘Toen zwoor ik dat ik daar ooit terug zou komen, hoe lang dat ook zou duren. En dat ‘ooit’ is nu dan aangebroken!’