Eva

Wie bij ons kantoor aan de Woldpoort in Steenwijk binnenkomt, ziet gelijk ‘het mooiste meisje van de straat’, onze Eva. Zwartharig, vriendelijk, soms zwoel, altijd vriendelijk, aaibaar en mooi. Eva is onze vijf jaar jonge kantoorhond van het soort Boulab en het resultaat van een romantisch samenzijn van een Berner Senner en een Labrador. Deze soort is ontwikkeld als perfecte geleide- en hulphond. Daarom is Eva een goed luisterend en heel gehoorzaam vrouwtje.

Er kwam op een zonnige ochtend een meneer binnen. Hij groette vriendelijk en zag kennelijk vanuit een ooghoek een enthousiaste reactie die zijn aandacht trok. Natuurlijk: donkere Eva had weer een man voor zich gewonnen. Hij nam alle tijd om haar te knuffelen. Hij was een echte dierenvriend, vertelde hij. Al had hij zelf nog nooit een huisdier gehad. Zijn moeder had een allergie, waardoor ze niet tegen dieren met haren en veren kon. Hij had dat gemis zijn hele leven met zich mee gedragen. Hij kon geen dierenwinkel voorbijlopen, zonder er naar binnen te gluren. Dierentuinen bezoeken was een van zijn grootste hobby’s. ‘Compensatiegedrag’, noemde hij het zelf. ‘Ieder kind zou op moeten groeien met een huisdier’, vond hij. ‘Een écht huisdier’. Ik kon het alleen maar eens zijn met hem. ‘Dieren bieden troost en vriendschap, zijn altijd vrolijk’, wees ik op mijn Eva.

Maar goed, meneer was op zoek naar een woning. Niks fancy, niks geks, een 2-onder-1-kapper mocht en een rijtjeswoning ook. Gewone prijs, geen buitenissige voorwaarden, verlangens of eisen. Oud of nieuw, het maakte allemaal weinig uit, begreep ik. ‘Als er maar een voordeur in zit’, grapte hij. Met zo’n open opdracht kon ik zeker wel wat.
Hij was niet bekend met de stad; hij kwam vanaf het Noord-Groningse land en moest vanwege werk naar deze contreien verhuizen. Hij hoopte dat ik een huisje in een sociaal buurtje zou kunnen vinden, ‘een gezellig wijkje’, duidde hij, ‘waar mensen elkaar nog groeten op straat en een praatje willen maken’. Het moest voor hem een manier zijn om wat makkelijk contacten te kunnen leggen.
Ik had wel een woning of drie voor hem op het oog en in portefeuille. Een klein weekje later gingen we samen op ‘bezichtigingstoernee’.

Appeltje-eitje zou het worden, dacht ik, een fluitje van een cent. Voor het eind van de dag zou meneer een huis hebben, was mijn veronderstelling. Het liep wat anders. Het eerste object was een hoekwoning. Niet het nieuwste van het nieuwste maar keurig onderhouden, voor een tuintje vol grind, achter een gazonnetje. De woning leek hem te bevallen maar voor en achter het huis was er iets wat hem tegenstond, al kon ik daar niet een vinger op leggen.
Pand nummer twee was in een volksbuurtje, in de goede zin van het woord. Er fietsten wat mensen en we zagen twee mannen met tuingereedschap, misschien wel op weg naar een volkstuintje, vermoedde ik. Er was een buurthuis in combinatie met een buurtwinkel, dus voor de snelle of daagse boodschappen zeer geschikt en ook voor het makkelijk leggen van contacten. De woning leek precies in meneers straatje te passen. Niet al te groot, woonkamer met open keuken en daarachter een bijkeukentje, boven twee slaapkamertjes en een zoldertje. Voor het huis was bestraat, zodat daar een auto geparkeerd kon worden, achter het huis was een botanisch rotzooitje, maar dat zou een goede hovenier binnen een paar uur opgeruimd kunnen krijgen. Ook in deze woning was het enthousiasme van mijn klant binnen groter dan buiten.
Zoals makelaars wel vaker doen, had ik het in mijn ogen beste huis tot het laatst bewaard. Een woning van een jaar of twintig oud, midden in een rijtje van vijf. Tegen mijn gewoonte in liep ik met meneer eerst achterom. Daar was een ruime steeg met allemaal lage schuttingen en veel dierenhokken. Er waren meerdere buren met konijnen en kippen, één buurman had een duivenhok, een andere een vijver. Een dierenparadijs! De lege woning was netjes achtergelaten; de laminaatvloer was blijven liggen dus met wat nieuwe gordijnen, een fris behangetje en meubeltjes zou dit vrij gemakkelijk een ‘thuis’ kunnen worden.
Maar ook hier kreeg ik de handen niet op elkaar. We gingen terug naar kantoor en na enige aarzeling kwam het hoge woord eruit. Meneer was een grote dierenvriend, maar hij hield absoluut niet van katten. En rondom de drie woningen die we hadden bekeken waren duidelijk katten aanwezig. Even keken wij elkaar stil aan. Toen had ik de oplossing. Ik wees naar Eva en de man volgde mijn gestrekte arm.

‘Een hond’, zei ik.
‘Dat had ik al door’, zei de man met een glimlach.
‘Ik bedoel: als u een hond neemt, slaat u twee vliegen in één klap! U krijgt eindelijk een huisdier én katten zijn nu niet bepaald de grootste vrienden van honden…’
Het is dat er een bureau tussen ons stond, anders zou de man mij om de hals gevlogen hebben.

Ik had gelijk gehad, die middag kocht de man de woning van zijn voorkeur, die met de buurtwinkel nabij.
Een maand of drie later kwam hij bij ons binnenlopen. Met een hond, een Boulab. ‘Ik was er gelijk verliefd op’, zei hij. Hij had eerst overwogen om het dier Adam te noemen, maar het werd Joost.